Het leven van een gek: Ollie, Emma en de chagrijnige baliedame

2017-31-1-21-56-26

Yes, eindelijk weer een nieuw deel! I hope you’ll enjoy!

25. Ollie, Emma en de chagrijnige baliedame

Het tetterende geluid van de tv is niet te missen, maar mijn moeder is toch op zolder en daarom vind ik dat ik de televisie niet in het geluid hoef te beperken. Ik lig onderuitgezakt op de bank, een joggingbroek en een hoodie maken het plaatje compleet. Alleen de zak chips ontbreekt, maar daar heb ik voorlopig dan ook geen zin in. Ik vind het niet meer lekker, door alle ervaringen van afgelopen tijd die er onlosmakelijk mee verbonden zijn. Ik sluit mijn ogen en word me bewust van de bonkende pijn in mijn hoofd. Misschien is dat harde geluid niet zo’n heel goed idee, dus ik besluit het geluid even iets terug te draaien. Het gaat waarschijnlijk nog wel even duren voordat mijn hersenschudding helemaal over is, maar gelukkig valt het mee. Straks komt Emma, dat had ze beloofd en ik kijk er naar uit. Het is zaterdag en over drie weken gaan we verhuizen. Mijn ouders en ik hebben er niet meer over gepraat sinds ik terug ben, maar de plannen van Emma en mij zijn rijp voor de prullenbak.
Overal in het huis staan half ingepakte dozen, alsof ze alles een beetje tegelijkertijd aan het aanrommelen zijn hier.
Mijn kamer is nog helemaal in tact, net alsof ik niet weg ben geweest. Het gaf me een fijn gevoel toen ik gisteren thuis kwam. Zelfs mijn fiets hebben ze teruggevonden, het ding stond weer op zijn vertrouwde plek in de tuin toen ik terug kwam. Ik ben een week weggeweest, is mij verteld. Mijn eigen gevoel voor tijd was verdwenen, de ambulancebroeders hadden me dan ook bezorgd aangekeken toen ik het vroeg.  Wanneer het geluid van de televisie tot een nihil niveau wordt beperkt, merk ik pas dat mijn moeder weer beneden is en ik schrik op.
‘Sara,’ verzucht mijn moeder. ‘Als jij snel wilt opknappen van die hersenschudding, kun je die televisie beter helemaal uithouden. Zijn er geen andere manieren om afleiding te zoeken?’ Ze glimlacht en gaat rustig naast mij zitten. Ik haal mijn schouders op ten teken dat ik eigenlijk nog niets heb verzonnen.
‘Straks komt Emma,’ komt er dan in me op. ‘Ik weet alleen nog niet hoe laat.’
‘Fijn dat ze straks komt, jullie hebben elkaar vast een hoop te vertellen.’ Ze staat op en loopt richting de keuken, waar ze weer verder praat. Wanneer ik een beetje mijn best doe kan ik haar verstaan, alleen daar heb ik geen zin in, dus ik vraag ernaar zodra ze de woonkamer weer binnenkomt.
‘Er staan Skittles in de keuken,’ licht ze nu kort toe. ‘Voor Emma en jou straks.’ Nog steeds glimlacht ze en ik weet dat ze hoopt dat ik hier blij mee ben. Ik stuur haar een vrolijke lach terug.
‘Dankje mam!’ Op dat moment gaat de telefoon en omdat ik zo nieuwsgierig ben duik ik er op af.  Het blijken mensen van de politie te zijn die spullen van mij hebben gevonden, met de vraag of ik ze vanmiddag nog kan ophalen op het bureau. Eindelijk krijg ik mijn mobiel weer!
Ik besluit Emma mee te slepen naar het bureau, dus zodra ik dat gesprek heb afgerond bel ik haar meteen en binnen een halfuur staat ze voor mijn achterdeur te springen. Lachend doe ik open en laat ik mijn vriendin binnen. Meteen vliegt ze me enthousiast om de hals.
‘Goed om jou weer te zien!’ roept ze. Ik knik en straal. ‘Je ziet er alweer een stuk beter uit dan gisteren, alhoewel.’ Een aarzeling klinkt door in haar laatste woord en ze werpt een kritische blik op mijn outfit.
‘Aan die kleding mag nog wel wat gebeuren, voordat wij de deur uit gaan.’ Ik werp zelf ook een blik op mijn outfit en ik kan niets anders dan haar helemaal gelijk geven.
‘Ja, laten we daar wat aan gaan doen,’ stem ik lachend in. Emma rent voor mij uit naar boven en ik kom er een stukje trager achteraan. Ik mag niet te hard lopen en al helemaal niet op een trap. Wanneer ik op mijn kamer kom, heeft Emma mijn kast al opengegooid.
‘Goed. Ik zeg lekker casual, maar wel fancy,’ begint ze.
‘Een skinny is al een hele vooruitgang,’ mompel ik terwijl ik mijn lievelingsskinny opduikel uit mijn kast. Ik houd hem voor Emma’s neus.
‘Beter?’ vraag ik. Emma knikt hevig.
‘Veel beter. Doe die maar aan.’ Ze koekeloert bij mijn T-shirtjes om een leuke match te vinden met mijn broek. Die vindt ze en deze wordt dan ook zonder pardon op mijn hoofd gesmeten tijdens mijn speciale “Ik-trek-een-skinny-aan-dans”. Daardoor verlies ik mijn evenwicht maar gelukkig weet ik op het bed te vallen, in plaats van op de grond. Meteen komt mijn moeder om de hoek kijken.
‘Alles goed hier?’ vraagt ze bezorgd. Maar zodra ze ziet dat Emma en ik keihard aan het lachen zijn, grinnikt ze even en sluit ze de deur weer.
‘Dat ging soepel,’ merk ik droogjes op. Emma knikt.
Wanneer ik eenmaal zover ben, besluiten we om te gaan. Eigenlijk mag ik helemaal niet fietsen, maar dat kan mij niets schelen en het maakt Emma eigenlijk ook niet uit. Ik duw met mijn wiel de schuttingdeur open en rijd weg, met Emma in mijn kielzog.

Bij het politiebureau is het rustig en Emma en ik knallen onze fietsen in de rekjes die bij de ingang staan. Achter de balie zit een vrouw die waarschijnlijk snakt naar een pauze. Tenminste, zo ziet ze er wel uit en wanneer we met haar in gesprek gaan kom ik erachter dat ze ook zo klinkt.
‘Ja?’ vraagt ze kortaf.
‘Ik ben net gebeld,’ begin ik. ‘Of ik mijn spullen kwam ophalen.’ De vrouw achter de balie trekt één wenkbrauw op. Ze is vrij mollig en ik vermoed dat ze niet vaak achter criminelen aan hoeft te rennen. Aangezien de vrouw verder niet reageert op mijn verhaal, ga ik verder.
‘Ik ben Sara. Sara Torenberg,’ mompel ik.
‘Ze was ontvoerd, niet gehoord?’ helpt Emma, lekker recht door zee. Nu knikt de vrouw en ze toetst een nummer in op een telefoon die bij haar in de buurt staat. Ze blaft er enkele woorden in en gebaart ons dan om op de stoelen verderop te gaan zitten. Kennelijk is ze geen vrouw van veel woorden. Emma en ik kijken elkaar aan en trekken tegelijkertijd een gek gezicht. Grinnikend gaan we zitten en dan valt er een stilte. Opnieuw kijken we elkaar en dan barsten we in lachen uit. Op dat moment loopt dezelfde agent als die gisteren in het ziekenhuis binnen en hij kijkt ons verwonderd aan. Meteen stoppen Emma en ik met lachen.
Dus jij kwam voor je spullen Sara?’ begint hij. Ik knik. ‘Mooi. We hadden ook nog een paar vraagjes aan jullie samen, maar daarvoor pakken we eerst even jou spullen erbij.’ Hij wenkt ons en we lopen achter hem aan. Voordat ik het weet zwaait hij met mijn sporttas voor mijn neus.
‘We dachten dat dit, met alles wat erin zit, wel van jou zou zijn.’ Wanneer ik de sporttas aanpak springen er bijna tranen in mijn ogen. Meteen open ik het om te zien wat er nog inzit. Toen ik mijn sporttas terugvond zat mijn telefoon er niet in, maar nu wel. Waarschijnlijk hebben zij die gevonden. Ik laat het apparaat door mijn handen glijden en steek het in mijn broekzak.
‘Bedankt,’ zeg ik met een grote glimlach. Hij geeft mij een typische politieglimlach terug; persoonlijk en professioneel tegelijkertijd. Hoe doen zij dat toch? Dan kucht hij, we waren namelijk nog niet klaar en kennelijk is dit zijn manier om dat onder de aandacht te brengen.
‘Over één boekje hadden wij nog wat specifieke vragen aan jullie,’ begint hij. Meteen kijken Emma en ik elkaar aan. Natuurlijk weten we over welk boekje dit gaat. Ze hadden Ollie de Onbekende Ontvoerder gevonden.

Advertenties

Het leven van een gek: Vragende visite en ziekenhuizen

Eindelijk een nieuw deel over Sara! Kijk bij “Het leven van een gek”  voor alle andere delen

2017-04-1-13-41-0324. Vragende visite en ziekenhuizen

Herkende je de man?’ Twee agenten zitten bij mijn bed. De ene vuurt allerlei vragen op me af en de andere pent fanatiek mee met alles wat gezegd wordt. Dat zijn voornamelijk woorden van zijn compagnon, aangezien ik amper een woord uitbreng. Ik strijk met mijn handen over het witte ziekenhuislaken. De dokter zei dat ik ondervoed was, vitaminetekorten had en hij noemde nog wat zaken die ik niet eens meer echt meekreeg. Ik schud langzaam mijn hoofd. Niet te snel, want dan krijg ik alleen maar hoofdpijn. Oh ja, dat was ook iets wat die dokter zei. Een lichte hersenschudding van de klap die ik kreeg toen ik in die achterbak werd gesmeten. Een rilling loopt over mijn rug zodra ik daaraan terugdenk. Zijn woedende blik, al dat geschreeuw… Ik sluit even mijn ogen. ‘Sara?’ De zeurende stem van de agent naast me. ‘Gaat het?’ Gaat het? Of het gaat? Ja, nou het gaat echt super. Wat een domme vraag. ‘Nee,’ mompel ik. ‘Ik weet het toch niet.’  Dit schrijft de andere agent fanatiek op. ‘Wat weet je niet?’  Vraagt de agent door. Ik haal mijn schouders op. Dat weet ik dus niet, maar zij lijken dat niet zo logisch te vinden als ik. ‘Ik weet niet wie hij was. Ik weet niet waarom hij me meenam. En de rest weet ik ook niet.’ Eigenlijk is dit een leugen. Ik weet namelijk wel waarom hij me meenam, ik weet alleen niet waarom hij me opsloot. Er wordt op de deur geklopt en meteen schiet ik omhoog. Een zuster loopt naar binnen met een grote glimlach om haar gezicht. ‘Dit was wel weer genoeg voor vandaag. Bedankt voor jullie bezoek. Sara heeft rust nodig.’ De agenten kijken elkaar aan en de ondervrager zucht. De zuster geeft mij heimelijk een knipoog, alsof ze wel begrijpt dat ik geen zin heb in die agenten. Ik schenk haar een dankbare glimlach. Straks komen mijn ouders weer, met Emma, kondigt de zuster aan. Het schijnt dat zij al eerder zijn geweest, maar dat ik toen nog sliep door een of ander slaapmiddel dat ik toegediend kreeg. Ik zucht zachtjes, terwijl de agenten eindelijk de kamer uitlopen. De zuster neemt plaats op de plek waar de agent net zat. ‘Ik word helemaal gek van die mensen,’ begint ze. ‘Ze storen altijd de patiënten op de momenten dat ze moeten rusten.’ Terwijl ze rustig verder kletst, controleert ze mijn pols, temperatuur en allemaal dat soort dingetjes. ‘Ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar waarschijnlijk mag je vanmiddag naar huis. Het gaat zo goed met je! En weetje, fysiek valt het allemaal wel mee. Ik moet je wat vitaminepillen meegeven en het is belangrijk dat je goed uitrust maar dat kan je ook thuis, nietwaar?’ Ik knik, maar ik heb geen zin om wat te zeggen en sluit mijn ogen. ‘Je familie komt ongeveer over een uurtje, dus in principe kan je ook nog wat slapen. Ik bedoel, je mag weliswaar naar huis maar je zult nog wel moe zijn.’ Langzaam verstomt het geklets van de zuster en word ik meegetrokken in een diepe slaap.

‘Sara, ik ben het, Emma.’ De woorden proberen binnen te dringen in mijn hoofd, maar het is mistig en de boodschap lijkt niet echt aan te komen. Ik voel dat er zachtjes aan mijn arm geschud wordt. Laat me met rust allemaal, denk ik. Ik wil slapen. Maar Emma geeft niet zo snel op, dus er wordt opnieuw aan mijn arm geschud. Nu open ik langzaamaan mijn ogen. Het licht is fel en ik trek een gezicht. Langzaamaan wordt het licht wat minder fel- de gordijnen waren dichtgedaan. Emma glimlacht. Haar bruine haar zit in een mooie vlecht opzij en ze heeft een nieuw bloesje aan. Ik grijns een beetje. Nu begin ik echt wakker te worden. ‘Hee Emma!’ zeg ik, met een big smile op mijn gezicht. Ze buigt zich over me heen en geeft me iets wat op een knuffel lijkt. ‘Sara! Je bent terug,’ zegt ze opgelucht. Ik grinnik. ‘Ja, ik ben terug. We kunnen de school weer onveilig maken.’ Emma knikt en zet een stap opzij. Achter Emma staan mijn ouders. Niet alleen mijn ouders, maar ook Mart staat daar, met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht. ‘Saar,’ zegt hij en ook hij geeft me iets wat op een knuffel lijkt. Ik durf hem amper aan te kijken. Ik bedoel, hallo, ik heb glashard tegen hem gelogen. En dat terwijl hij nog gelijk had ook. Dan drukt hij een kus op mijn voorhoofd en zonder verder iets te zeggen laat hij mijn ouders bij me. Mijn ouders. Ik glimlach. Ze omhelzen me, zeggen allerlei lieve dingen en tot slot haalt mijn vader ook nog een puddingbroodje tevoorschijn. Ik grinnik, en weet dan dat het goed zit.

Logo 4b

Het leven van een gek: Verzet

2016-17-11-21-45-45

23. Verzet

Kwaad kijkt hij me aan. Nou, kwaad, zeg maar gerust woedend. Mijn maag begint te draaien van angst, ik kan simpelweg geen kant op. ‘Sara, Sara, Sara. Moest dit nou echt? Was het na één ontsnappingspoging niet al duidelijk genoeg?’ Ik slik en zwijg. Hij zet een stap naar voren, ik eentje naar achteren. Hij daagt me uit, besef ik. En zonder er verder over na te denken, begin ik te rennen en duik ik langs hem heen. Ik ren de trap af en hij komt achter me aan. Onder zijn zware voetstappen kraken de treden nog harder dan normaal. Hij heeft de deur open laten staan toen hij binnenkwam, wat een sukkel. Ik maak ervan gebruik en ik ren naar buiten. ‘Ik zou het niet proberen Sara!’ roept hij. Te laat. Ik ren zo hard als ik kan. Maar hij is sneller, natuurlijk is hij sneller. Ik ren zo ver mogelijk, zodat onze afstand van het huisje zo ver mogelijk is. Uiteindelijk haalt hij me in en grijpt hij mij bij mijn middel. ‘Jij gaat met mij mee,’ gromt hij. Ik schop, duw en probeer van alles om los te komen uit zijn stevige greep. Hij loopt met mij terug naar het huisje, maar ik ga niet terug. Echt niet. Ik raak hem waar ik hem maar raken kan. Maar het helpt niet, hij verstevigt alleen zij greep. Ik kan amper nog ademhalen. Ik trap hem nog een keer. We zijn inmiddels bij de auto, die nog voor het huisje stond. Hij laat mij met één hand los en gooit de achterklep open. Daar ga ik dus echt niet in! Ik schop en sla erop los. Raak. Ik schop ‘m recht in het midden, in de roos. Hij kreunt van de pijn en zijn greep verslapt. Dit is mijn moment, nog een keer probeer ik los te komen. Dan hoor ik sirenes! Hoe hebben ze dit gat hier ooit gevonden? Jammer is alleen, dat mijn grote vriend ze ook hoort. Nu heeft hij iets meer haast met het dumpen van mij in de achterbak. Hij pakt mij op en gooit me er hardhandig in. Maar ik blijf me verzetten, zo makkelijk krijgt hij mij niet. Ik probeer er weer uit te klimmen en ik begin keihard te gillen. Dat heb ik ooit met Emma geoefend, zodat we in geval van nood superhard zouden kunnen gillen. Dus dat doe ik dan ook, lang en hard. ‘Hou je mond,’ zegt hij kwaad. Ik schud mijn hoofd en schop hem nog een keer. Hij probeert de klep dicht te doen, maar dat gaat niet zomaar. Dan komen er twee politieauto’s aanrijden. Ik begin te lachen. Waarom vind ik dit zo grappig? Ik krijg een woedende blik van mijn ontvoerder toegeworpen. Dan gebeurt er van alles tegelijkertijd. Ik let niet goed op, word naar achteren geduwd en opgesloten in de achterbak. Mijn hoofd bonkt, volgens mij heb ik mijn hoofd gestoten. Ik hoor allemaal geschreeuw en ik sluit mijn ogen. Mijn handen leg ik op mijn oren en ik krul mezelf op als een bolletje. Ik wil niets meer horen. Niets meer zeggen. Nu is het aan hen om mij te redden.

Een hele tijd hoor ik niets. Ik lig en staar voor me uit, terwijl ik mezelf zachtjes heen en weer wieg in de kleine, bedompte achterbak. Ik schrik op wanneer ik nog meer sirenes hoor. Eerst worden ze heel hard, daarna stopt het geluid spontaan. Ik hoor het geklap van autodeuren en pratende mensen. Met vlagen kan ik het verstaan. ‘…de hele auto op slot…’  Wat? De auto op slot? ‘…die heeft hij dus in het water gesmeten…’ Nu komen ze heel dichtbij en kan ik alles verstaan wat ze zeggen. ‘Sara?’ vraagt een vriendelijke mannenstem. Dit is niet mijn ontvoerder. Ik begin spontaan te huilen. ‘Ja?’ zeg ik met schorre stem. Volgens mij ben ik veilig. ‘We gaan je hieruit halen meisje, alles komt goed.’ Ik knik en snik zachtjes. Ik hoor voetstappen komen en gaan, gemorrel aan de auto en pratende mensen. Nog steeds opgevouwen als een bolletje, lig ik daar onbeweeglijk. Dan hoor ik hoe het slot losschiet. De klep wordt langzaam opengedaan en ik merk dat iedereen daarbuiten zijn adem inhoudt. Dat voel ik gewoon. Langzaam valt er een streep licht naar binnen. Ik hou mijn adem in. Kunnen ze mij hier niet gewoon laten liggen? Is hij weg? De vragen spoken door mijn hoofd, maar ik durf niet op te kijken, totdat ik een vriendelijke stem hoor. ‘Kom er maar uit. Het is oké, hij is weg.’ Ik geloof haar niet, toch kijk ik nu wel voorzichtig op.  Achter haar staat nog een man, daarachter een politieauto en een ambulance. ‘Zal ik je even helpen?’ vraagt ze dan geduldig, wanneer ik geen beweging lijk te maken. Ik knik en word uit de auto geholpen, naar de ambulance. Mijn ontvoerder zie ik nergens meer, maar ik blijf om me heen kijken. Voordat ik de ambulance instap, kijk ik nog één keer naar het huisje. Het is inderdaad net zo’n gaar vakantiehuisje als dat van Twan. Ik zucht zachtjes en klim in het voertuig. Ik ga zitten, sluit mijn ogen en laat de rest van de middag en avond in een waas voorbijgaan. Ik wil dat alles gewoon voorbij is.

 

Eindelijk weer een nieuwe post! Ik ben superdruk de laatste tijd dus ik blog minder. Maar daarom zijn mijn posts niet minder leuk natuurlijk 😉

Liefs!

 

Just don’t forget, to wear a hat

Het leven van een gek: Noodoproepen

2016-23-10-17-29-16

22. Noodoproepen

Zolang ik kalm blijf, kan ik dit. Zo ingewikkeld ziet het er niet uit. Ik moet gewoon even prutsen en morrelen, voordat ik het weet ben ik los. Hopelijk kijkt hij niet mee via één of andere camera. Plotseling krijg ik spontaan een kokhalsneiging, door die gore kotslucht die hier nog steeds hangt. Ik zie dat er een stukje ik-wil-niet-eens-weten-wat-dit-is in mijn haar hangt. Getver. Nog meer motivatie om hier los te komen. Ik begin met mijn rechterhand, die ligt het meeste in mijn zicht en begin eerst maar simpelweg heel hard eraan te trekken. Naast nogal wat pijn aan mijn hand, levert het vrijwel niks op. Maar een Torenberg geeft niet zomaar op, zei mijn vader altijd. Het voelt eeuwen geleden dat ik hem heb gezien. Na een tijdje prutsen en pulken merk ik dat het touw steeds losser gaat zitten. Dit kan ik! Nog meer prutsen. Nog een keer trekken. En dan ineens gebeurt het: ik ben los.

Oké dat klonk geweldiger dan de werkelijkheid. In werkelijkheid heb ik namelijk alleen maar mijn rechterhand los. Maar de adrenaline heeft zijn weg gevonden en nu twijfel ik niet meer. Als niemand mij kan bevrijden, dan doe ik het zelf wel. Nu is, voordat ik het weet, ook mijn linkerhand losgeschoten. Wat een sukkel, die gast kan mij niet eens goed vastbinden, denk ik triomfantelijk. Tijd voor mijn voeten. Ik probeer overeind te komen maar dat gaat moeilijker dan ik had gedacht. Ik heb natuurlijk amper energie doordat ik de laatste tijd niks heb gegeten. Ik doe nog een poging, maar nu doe ik wat rustiger aan. Dit gaat beter en nu kan ik bij mijn voeten komen. Nu ik beide handen weer heb is dit een eitje. Na een aantal minuten aan de touwen rommelen ben ik los en even ben ik heel erg trots op mezelf. Dan kokhals ik weer en deze keer moet ik ook echt overgeven. Nu kan het alleen met iets meer beleid, dus niet meer over mezelf heen, maar op de grond. Dit is zó smerig! Ik besluit mijn T-shirt uit te trekken. Dan maar kou lijden, ik zal het met mijn hemdje moeten doen. Ik kijk rond. Liggen mijn spullen hier toevallig nog? Ik probeer mijn teleurstelling te onderdrukken wanneer ik tot de conclusie kom dat ze er niet meer liggen. Waarom had ik dat ook eigenlijk verwacht? Natuurlijk legt hij geen Eerste Hulp Bij Ontsnappen kitje voor me klaar. Ik weet eigenlijk niet wat ik nu moet doen, voordat ik het weet zit hij me weer achterna. Zou hij dan 24/7 hier zitten? Nee toch? Vanuit mijn raam kan ik de oprit zien en dat brengt me op een slim idee. Zodra zijn auto weg is, is hij weg. En dan kan ik gaan. Ik besluit direct te kijken, zachtjes sluip ik naar het raam. Als hij er wel is en hij hoort me, dan ben ik er geweest. Het enige wat ik hoor is het harde bonken van mijn hart in mijn keel. Zou de auto er staan? Gespannen duw ik het oude, vale, gordijn weg en ik zie… niks. In geen velden of wegen is een auto te bekennen. Een diepe, opgeluchte zucht ontsnapt uit mijn mond. Dit is mijn kans. Ik voel opnieuw de adrenaline opkomen. Ik ga mijn tas zoeken en dan ga ik ervandoor. Surprise, sukkel!

Inmiddels ken ik de weg in dit oude, eenzame vakantiehuis. Ik weet waar ik moet zoeken, ik weet hoe ik weg moet komen. Mijn hart bonkt opnieuw in mijn keel terwijl ik de deur open. Het doet me denken aan de eerste keer dat ik de deur opende zonder te weten wat er achter die deur zat. Dit zal de laatste keer zijn, denk ik opgelucht. Hij krijgt me echt niet zomaar te pakken. Ik loop naar boven, de trap kraakt lichtjes, gelukkig bijna onhoorbaar. Misschien heeft hij mijn tas wel gewoon op dezelfde plek neergelegd. Zo stom is hij vast. Ik besluit eerst het slaapkamertje te bekijken omdat dat gewoon goed voelt. Wanneer ik de deur open, zie ik meteen dat dit een goede keuze is geweest. Een grijns komt direct op mijn gezicht. Hier ligt geen sporttas, maar nog iets veel beters. Hier ligt de telefoon. Ik twijfel geen seconde en toets het telefoonnummer van Emma in. Ik leef nog Emma, deze Franse Flamingo goes home! De telefoon gaat amper één keer over en dan heb ik Emma al aan de lijn. ‘Sara ben jij dat?’ Ik knik en er volgen een paar stille seconden. ‘Sara?’ klinkt het nu dringender, bezorgder. Dan realiseer ik me dat je knikken nou niet bepaalt hoort door een telefoon. ‘Ja! Ik ben het!’ zeg ik dan meteen.

‘Sara! Godzijdank.’ Haar stem hapert en dan hoor ik zachtjes gesnik aan de andere kant van de lijn. ‘Je leeft nog…’ zegt ze met een bibberstem. ‘Ik was zo bang dat je dood was…’ Nu wordt het snikken alleen maar heftiger en dan hoor ik ook een zwaardere stem op de achtergrond. Wie zou dat zijn? ‘Ik ben niet dood gek, ik ga ontsnappen,’ probeer ik haar gerust te stellen. Ik zeg het zo zelfverzekerd mogelijk, om haar niet nog bezorgder te maken. ‘Ik ben los en hij is weg. Ik kom eraan.’

‘Je bent los?!’ Emma’s stem slaat een beetje over. ‘Je zat dus vast?’

‘Ja…’ zeg ik zachtjes terwijl ik een blik op de rode striemen op mijn polsen werp. ‘Maar ik ben los. En ik vond de telefoon weer dus toen belde ik jou.’ Even blijft het stil aan de andere kant van de lijn. Dan hoor ik weer wat gemompel en gekraak. De stem die ik dan hoor, doet me bijna in tranen uitbarsten. ‘Sara… Ik was zo bezorgd om je…’ Die stem, is de stem van Mart. Mart, de laatste die ik zag voordat ik verdween. Tegen wie ik gelogen heb. Hij zou super boos op mij moeten zijn. Ik slik de brok in mijn keel weg en antwoord terwijl mijn stem zachtjes trilt: ‘Mart, het spijt me zo…’

‘Sara, ik wil dat je ophangt,’ zegt hij dan. Wat? ‘Bel 112, nu, voordat hij hierachter komt. Wij spreken je later. Zet hem op.’ Weer valt het kort stil. ‘Je kan het Saar. We houden van je,’ vervolgt Mart met dezelfde trillende stem die ik net had. Dan hangt hij op, voordat ik ook maar iets heb kunnen antwoorden. Ik staar een paar seconden voor me uit, om dan zonder twijfel het alarmnummer in te toetsen. Ik druk op de groene knop en hiermee gaat mijn reddingsplan pas écht van start. Ik ga hier weg. Dan schrik ik me wezenloos. Nee. Nee, nee, nee. Nog voordat de telefoon overgaat, hoor ik een auto aan komen rijden. ‘112 alarmcentrale, wilt u politie, brandweer of ambulance?’

‘Politie,’ antwoord ik snel met een paniekerige stem. Ik probeer naar buiten te kijken om te zien of hij al uitstapt. ‘In welke plaats?’ Ik weet niet waar ik ben. Shit. Hoe kunnen ze mij nu helpen als ik niet weet waar ik ben? ‘Weet ik niet…’ zeg ik. Ik kan wel janken. ‘Ik ben ontvoerd en hij komt er zo aan en da-’ Ik kom niet meer uit mijn woorden en begin te snikken. De vrouw aan de andere kant blijft rustig en vraagt mij hetzelfde te doen. ‘Heb je echt geen idee waar je bent? Heb je iets van de omgeving kunnen zien?’ Dat weet ik! Ik zit in het bos, in een verlaten vakantiehuisje die amper nog gebruikt wordt omdat de eigenaar te lui is om er überhaupt heen te gaan. Ik werp een blik op de auto, hij stapt nu uit. Dan stokt mijn adem in mijn keel. ‘Ik ben in een bos, in een vrijstaand vakantiehuis. Het is het enige huis in de omgeving en er loopt een groot, lang, recht pad naartoe.’ Dan hoor ik de deur dichtslaan en heb ik geen andere keuze dan de verbinding te verbreken. ‘Help me,’ fluister ik nog. Hopelijk kan ze hier genoeg mee. Ik kijk snel rond en zoek een mogelijkheid om me te verstoppen. Dan hoor ik snelle voetstappen de trap oplopen en ik verstijf. Het is al te laat. De deur zwaait open en ik sta oog in oog met mijn ontvoerder.

Het leven van een gek: Wanhoop, touwen en een hoop problemen

2016-29-9-13-29-15

21. Wanhoop, touwen en een hoop problemen

Wanneer ik wakker word, is het donker. Mijn hoofd bonkt en terwijl ik probeer op te staan, krijg ik een brandend gevoel in mijn polsen en enkels. Ik kom niet overeind. Ik zucht en blijf liggen. Wat heb ik nu weer gedaan? Ik ben misselijk en merk dat ik moet overgeven. Een enorme golf braaksel komt omhoog en wanneer ik van het bed wil komen, merk ik dat ik geen kant op kan. Ik kan het niet tegenhouden en het zurige spul komt vooral over mezelf, de vloer en het bed. Een smerige lucht verspreidt zich door de kamer. Waarom kan ik geen kant op? Ik doe nog een poging, totdat het pas tot mezelf doordringt. Ik ben geblinddoekt, vastgebonden en ik heb net overgegeven. Ik ben weer terug bij af. Een grote snik ontsnapt uit mijn mond en voordat ik het zelf doorheb, ben ik met gierende uithalen aan het huilen. Ik wil naar huis. Naar Emma, naar Mart. Dit is gemeen, zo hebben we het niet afgesproken. Ik moet iets doen maar ik zou niet weten wat. Ik zit vast en die gast houdt me nu waarschijnlijk vreselijk goed in de gaten. Zou hij me gaan vermoorden? Omdat ik dingen gezien heb? Omdat ik hém gezien heb? Ik ken hem, ik weet het zeker. Ik heb hem eerder gezien. Er is iets met deze man, met dit huisje en ik weet niet wat. Kom op Sara, denk na. Alsjeblieft, voor een keertje. Kom op, kom op. Maar het komt niet en op dat moment realiseer ik me dat het ook niet uitmaakt. Ik lig hier voorlopig toch nog vast.

Uren lig ik daar, zonder te weten of het nu donker of licht is en zonder eten of drinken. Ik heb het benauwd, deels door de kots maar ook door alle andere luchtjes die inmiddels in de kamer hangen. Van het leven hier is geen waardigheid meer over. Ik heb geprobeerd te gillen en te schreeuwen maar er kwam geen reactie behalve een schor gesnik uit mijn eigen keel. Wat ik ook doe, het gaat toch niet helpen. Er is niemand die me hoort, echt niemand. De stilte en ik zijn met elkaar opgesloten. Het is zo stil, dat ik begin na te denken over van alles en nog wat van mijn leven en dan realiseer ik me dat ik liever naar Frankrijk ga dan dat ik hier nog tijden lig. Hoe zou het zijn in Frankrijk? Zonder Emma, zonder Mart. Allemaal nieuwe Franse vrienden maken die alleen maar van stokbrood houden. En van Franse muziek. Emma en ik haten Franse muziek. Ik moet zachtjes grinniken wanneer ik Emma’s gezicht voor me zie terwijl ze Franse muziek hoort in een winkel. Ik merk dat het helpt om aan leuke dingen te denken, dus ik denk aan Emma, aan Mart en alle anderen. Aan alle grappige acties. Ik zie ons weer staan, allemaal onder het cupcake beslag. Emma’s imitatie van een Franse flamingo. Ik lach en huil tegelijkertijd. Emma ik die samen bij de Koning zitten terwijl de rest van onze vriendengroep tegen het raam in de deur staat aangedrukt. Dankzij al die herinneringen word ik langzaam toch een beetje rustig en worden mijn ogen zwaar. Ik geef over aan de slaap die mij meeneemt naar andere werelden.

De volgende keer dat ik wakker word weet ik zeker dat ik voetstappen hoor. Echt. Ik schiet overeind, realiseer me dan pas dat dat niet kan en met een enorme pijn in mijn polsen en een klein gilletje val ik direct weer neer. Ik voel dat de paniek op komt zetten. Die blinddoek moet af, ik word gek. Ik beweeg mijn hoofd heen en weer over het matras en voel dat de doek begint te rollen. Dit gaat, realiseer ik me. Ik doe het opnieuw en opnieuw terwijl ik mijn bonkende hoofd en brandende polsen negeer. Er komt een streepje fel licht naar binnen. Ik zie iets! Het motiveert me om het nog een keer te proberen, nog een keer. Er komt steeds meer beweging in. Met een laatste pijnlijke kreet rolt de doek voor mijn ogen weg. Eerst knijp ik ze dicht voor het felle licht, maar langzaam lijken ze eraan te wennen. Ik lig nog steeds in dezelfde kamer als altijd. Ik kijk naar mijn polsen. Ze zijn vuurrood en zitten met een simpel touw vast. Ik had het gevoel dat ik veel strakker zat vastgebonden dan dit. Ik ben de voetstappen alweer vergeten, het enige waar ik aan kan denken is het losmaken van die touwen. Want dat moet lukken.

Het leven van een gek: Sleutels

2016-25-8--15-13-40

20. Sleutels

Ik ben die chips zó zat! Maar mijn maag knort vreselijk, dus met tegenzin open ik een nieuwe zak Nibbits. Met lange tanden eet ik er een paar en spoel ik ze weg met wat water. In mijn sporttas zat een flesje water, dus nu hoef ik daarvoor niet steeds naar de keuken te rennen, met m’n lamp. Heel fijn. Chips vult niet en ondanks dat je zou zeggen dat je enorm dik wordt als je alleen maar chips eet, zag ik dat ik dunner was geworden toen ik in de spiegel in de badkamer keek. Maar dat is niet mijn grootste probleem. Ik moet die telefoon opnieuw vinden. En Emma bellen, ik heb afgelopen nacht een heel plan bedacht. Zachtjes sluip ik mijn kamer uit want ik heb simpelweg geen zin meer om nog langer te wachten. Ik zou ook niet weten waarom ik langer zou wachten, eigenlijk. De lamp gaat nog steeds altijd mee en mijn sporttas ook. Ik besluit dat ik snel moet handelen, niet te langzaam lopen. Ik ga gewoon direct naar m’n doel, de telefoon. Emma bellen, plan B bespreken.  Voor je het weet ziet hij waar ik mee bezig ben en heeft hij het plan door. Het laatste wat ik wil is hém tegenkomen. Echt, ik eet nog liever een week lang chips dan dat ik die gast tegen moet komen. En aangezien niemand mij komt redden, moet ik mezelf maar redden. En toevallig ben ik daar heel goed in. Oké, misschien niet helemaal. Maar dat komt wel! Ik kom hier heus wel weg. Toch? Inmiddels ben ik bij de bewuste kamer. Ik besluit de rest van de verdieping niet te controleren, zoveel kan er niet gebeuren. Ik moet gewoon die telefoon pakken en Emma bellen, dat is het belangrijkste. Ik loop de kamer in, met mijn ogen zoek ik de telefoon. Waar is dat ding? Gisteren stond hij er nog, maar nu is hij toch echt weg. Ik tuur de hele kamer rond maar nergens is een telefoon te bekennen. Nergens. Ik zucht en laat mezelf op het bed vallen. Heel leuk dit. Hoe kom ik hier nu ooit weg? Dit is gemeen. Gemeen. Gemeen. Gemeen. Dan valt mijn oog op zo’n zelfde kaart als die met de champagne. Gestoken tussen de rand van het bed en de zijkant van de matras, waar ik op zit. Een ongerust onderbuikgevoel komt opzetten. Dit was duidelijk voor mij bedoeld. Langzaam strekt mijn hand zich uit naar de kaart. Wanneer ik hem te pakken heb, vouw ik de kaart open. Deze keer stond er “Hallo!” op de voorkant en wederom, was het handschrift in de binnenkant nogal slordig, net leesbaar.

Lieve Sara,

Kennelijk voel je je al helemaal thuis. Inmiddels heb je vrijwel alle kamers wel bekeken, mooi zijn ze hè? Ik keek naar je toen je uit het kamertje kwam. Toen je belde. Mis je iedereen zo? Ze missen jou ook. Sinds vrijdag ben je weg, nu is het dinsdag! Tijd gaat snel, wanneer je het leuk hebt. Wat ben je mooi. Maak het jezelf gemakkelijk. Zo snel kom je hier niet weg. Als jij het mij ongemakkelijk maakt, moet ik maatregelen nemen die ik liever niet neem, weet je. Zoals dat ik die telefoon weg moest halen. Ik hou je op de hoogte. Ze zoeken je. Ik ben de enige die weet waar je bent, niemand die je hoort, niemand die je helpt. Geniet van je rust!

Ik zie je altijd.

De inhoud leek voor een groot deel op dat van de vorige, maar het maakt mij nog net zo bang als de vorige keer. Hij ziet me dus écht altijd. Hoe dan? Hoe? Ik wil hier weg. Ik besluit alsnog alle kamers te controleren. Dat ik hém dan misschien tegenkom, kan me niks meer schelen. Dan kan ik hem mooi de waarheid vertellen! Kwaad loop ik naar de volgende deur, terwijl ik de brief in tientallen stukjes aan het scheuren ben. Hij moet me gewoon laten gaan! De hele situatie maakt mij ineens superkwaad. Ik smijt de deur open, kijk in het rond. De fotokamer, de kamer met alle informatie over mij. Mijn ogen glijden over alle selfies, notitieblaadjes en andere dingen terwijl mijn blik steeds troebeler wordt door de tranen die in mijn ogen prikken. Dan zie ik een sleutelbos liggen. Dat kan ik wel gebruiken! Ik pak hem zonder na te denken van het bureau. Vervolgens valt mijn oog op een klein halfrond balletje, die op het dak zit geplakt, direct naast de deur. Net een oog. Een camera! Hij houdt gewoon alles in de gaten met die klotecamera’s! Zonder mijn acties te overwegen, sla ik met de achterkant van de lamp, keihard op de camera. Nog een keer, nog een keer. Totdat ‘ie springt en er een regen van kleine glasstukjes naar beneden valt. Zo. Die is kapot, nummer 1. Ik kijk of er nog meer camera’s hier zitten, maar ik zie niks. Snel prop ik de sleutelbos in mijn sporttas. Nog een keer kijk ik de kamer rond. Ik begin alles van de muren af te trekken, van het bureau af te slaan, te verkreukelen, versnipperen en ik ga erop stampen. Eén foto, een selfie van mij en m’n vrienden, die bewaar ik. Ook die gaat in mijn sporttas. Ontsnappen. Ik kan ontsnappen! Ik loop vlug en zachtjes naar beneden, waar ik mijn waterfles opnieuw vul en een zak chips wil pakken, omdat ik niet weet hoelang het duurt voordat ik thuis ben. Maar wanneer ik de kast open, is alle chips weg. Is dit zijn wraak? Ik open alle andere deurtjes, misschien vergis ik me gewoon. Brood! Er is nu een kast vol met brood! Wit en volkorenbrood. Waarom? Ik besluit dat ik niet veel tijd heb om er over na te denken, dus ik prop een compleet witbrood in mijn sporttas, samen met mijn waterfles. Dan zie ik ook hier een camera hangen.  Meteen ram ik erop los met mijn lamp, tot ook deze camera het begeeft. Nu is het écht tijd om te gaan hier. Maar waar is een deur? Waar kan ik eruit? Ineens herinner ik het me. De deur met het slot en de knop. Dat is geen schoonmaakkast. Geen ontvoerdershol. Dat daar, is mijn uitgang. Als een bezetene ren ik er naartoe, om alle sleutels uit te proberen. Bij de derde is het raak, ik draai hem om en de deur gaat open. Fel zonlicht schijnt me tegemoet. Ik ben vrij! Ondanks dat ik amper wat zie, begin ik te rennen. Te rennen, rennen, rennen. Ik moet weg hier. Het is inderdaad een vakantiehuisje, midden in een bos, met een groot recht pad dat van het huisje wegloopt. Had Twan niet ook zo’n vakantiehuisje? Ik besluit mijn tempo iets te verlagen, mijn conditie is behoorlijk achteruitgegaan en zoveel voedingsstoffen heb ik ook niet. Ik verstijf, wanneer een hand mijn schouder stevig vastpakt en me omdraait. Een man kijkt me woest aan. Hij hijgt zwaar. ‘Moet dit nu echt zo, Sara?’ Die stem komt me eng bekend voor, net als het gezicht, maar voordat ik kan verzinnen waarvan, wordt er opnieuw iets tegen mijn gezicht gedrukt. Ik probeer mezelf los te maken van zijn greep, te schoppen, slaan, duwen. Maar hij houdt mij alleen maar steviger vast en ik voel, dat ik weer wegval. ‘Eikel,’ sis ik nog. Dan wordt alles weer zwart voor mijn ogen.

Het leven van een gek: Ventilatie, trappen en een telefoon

2016-17-7--20-01-49

19. Ventilatie, roltrappen en een telefoon

Slapen, wakker worden, slapen, wakker worden. En af en toe een zak chips pakken en leegeten als ik honger heb, de voorraad begint al behoorlijk slinken. Water en chips is echt het enige wat ik binnenkrijg. Ik heb nog niet naar een wc durven zoeken, dat doe ik steeds in een emmer die in het hoekje van de kamer staat. Maar inmiddels stonk ‘ie te erg, dus die heb ik uit het raam gekukeld. Hij paste er precies doorheen. Inmiddels is het opnieuw nacht, ik heb geen idee hoe laat. Maar ik moet naar de wc en ik heb geen emmer meer. Waarom heb ik die wc nou niet eerder gezocht? Nu moet ik in het donker, met iemand die constant over mijn schouder meekijkt, naar de wc. En ik kan het echt niet meer ophouden. Ik besluit dus maar op zoek te gaan, maar niet zonder mijn lamp. Hij werkt niet, maar ik kan er nog steeds prima mee slaan en als het nodig is, dan doe ik dat ook zonder pardon. Of ik raak sla is een ander verhaal. Ik schuifel richting de deur, muisstil. Af en toe voel ik me wat duizelig en bibberig, maar dat maakt niks uit. In het hele huis is geen geluid te horen, behalve het geluid dat ik zelf maak. Welke deur was die van de kamer? Oké, de linker. Er is nog een deur over, en een trap. Als ik een wc was, waar zou ik dan zijn? In een badkamer, natuurlijk. En daar zit een ventilatiesysteem. Dus ik zou het moeten kunnen zien, mits het niet zo donker zou zijn. Ik heb dus niks aan mijn geniale theorie. Dan maar gewoon proberen. Misschien heb ik net zoveel geluk als de vorige keer. Terwijl ik verder schuifel, ontdek ik nóg een deur, die mij mijn vorige tocht helemaal niet was opgevallen. Hij heeft alleen een knop, geen klink en wanneer ik eraan duw en trek, blijkt hij op slot te zitten. Om mezelf niet nog banger wil maken, ga ik er vanuit dat dat zo’n schoonmaakkast of meterkast is, en geen eng ontvoerdershol ofzo. De andere deur gaat wel open. Zou er een lichtknop zijn, ergens? Ik tast de wand af met mijn handen. Ja, daar voelde ik een knop. Ik druk erop, maar de herrie die volgt is niet te omschrijven. Het ventilatiesysteem, die ik net nog zo handig vond, begint nu te loeien. Oh, shit. Shit shit shit shit. Ik druk nog tien keer op het knopje, maar het geluid houdt niet op. Wat nu? Ik loop even helemaal vast. Als versteend sta ik in de kamer, die nu dus duidelijk een badkamer is. Ik krijg buikpijn van de spanning. Wacht even, volgens mij is het niet van de spanning, maar omdat ik nog steeds echt kei-nodig naar de wc moet. Dat wint het dan ook van mijn paniek, dus nu zoek ik fanatiek de wand af naar een lichtknop. Daar, eindelijk! Een klein, zoemend, gelig peertje verspreidt een gedimd licht in de badkamer. Een kleine douche wordt zichtbaar, met daarnaast een toilet. Er staat ook een smal wastafeltje met een kraan, met erboven een spiegel. Ik kijk erin en schrik van m’n eigen gelaat, dun en grauw. Mijn haar hangt in vette sliertjes langs mijn gezicht, maar douchen hier, dat durf ik echt niet. Een grote ruimte is het niet en het is er ook niet bepaald schoon. Maar als je nodig moet, is het goed genoeg. Ik ga dan ook snel naar de wc, nog steeds onder het gezoem van de ventilatie. Ik schrok me echt een ongeluk toen dat ding aanging. Wat een rotplek is het hier. Ik wil naar huis.. Ik besluit ook nog wat te drinken uit het kraantje, om dan weer te gaan. Gewapend met mijn lamp, ga ik weer onderweg naar mijn eigen kamer. Ik kom gelukkig niemand tegen, maar dan is er opnieuw een geluid dat me stokstijf stil laat staan. Het komt bij de deur met de knop vandaan. Lieve help, wat zit daar nu weer? Of beter gezegd, wie? Misschien moet ik er maar gewoon niet over na denken. Ik heb gewoon niks gehoord. He-le-maal niks. Maar als ik het opnieuw hoor, weet ik wel zeker dat er iemand zit. In een opwelling ren ik naar boven, de trap op. Als ik boven ben, kan ik mezelf wel voor m’n kop slaan. Ik heb mezelf gestoten, wat natuurlijk niet zo gek is in het donker, maar bovendien zal ik nog steeds langs de kamer moeten, wil ik bij mijn eigen komen. Ik ben echt zó stom af en toe! Waarom rende ik niet gewoon naar m’n eigen kamer? Als ik een beetje ben bijgekomen en me realiseer dat het echt stil is, verzin ik ook dat nu ik hier toch ben, ik meteen mooi even de boel kan onderzoeken. Wie weet wat ik vind. Ondertussen begint het alweer wat lichter te worden. Hoe laat zou het zijn? Half vijf? Ik zou het niet weten. Op de bovenverdieping zijn drie deuren. Welke zal ik eerst nemen? Nu ik weet, nou ja, vermoed, waar mijn “oppas” bivakkeert, hoef ik minder bang te zijn om de deuren hier te openen. Ik besluit ze gewoon op volgorde af te gaan. De eerste kamer, is heel gewoon. Er staat een bed en een kast, meer niet. Ik open de kast, maar die is leeg. Er hangt wel een kledinghanger in, van dat ijzer dat je kunt buigen. Ik zie er een potentieel wapen in, dus ik besluit het mee te nemen. Nu heb ik dus een lamp én een vervormd stuk ijzer. Ik word er echt gevaarlijker op, Emma zou trots op me zijn. Goed, volgende kamer dan maar. Als ik die opendoe, valt mijn mond open van verbazing.

De hele kamer is bezaaid met foto’s, notities, kaartjes, routekaarten en nog veel meer van dat soort rotzooi. Hallo, ik ben toch niet in een film beland ofzo? Foto’s van mij, van vriendinnen, selfies… Hoe komt hij daaraan? Notitieblaadjes met mijn favoriete eten, drinken en allemaal informatie die alleen m’n beste vrienden zouden moeten weten. Hoe komt hij aan al die informatie? Ik moet hier weg, en snel. Op het moment dat ik me om wil draaien, valt mijn oog op een hoopje in de hoek. Er ligt een doek overheen. Ik trek de doek eraf. Daar ligt mijn sporttas! Ik kan wel in de lucht springen. Snel pak ik hem mee en moffel ik de doek weer tot een hoopje. Dan loop ik naar de laatste kamer. Die ziet er weer heel gewoon uit.  Een beetje hetzelfde als de eerste. Bed, kast, nachtkastje, vaste telefoon. Nachtlampje, stoel. Ik ga op het bed zitten, om de inhoud van mijn sporttas te bekijken. Heb ik alles nog? Mijn telefoon zat erin, Ollie de Onbekende Ontvoerder, een pen en nog wat troepjes. Eigenlijk zit alles er nog in, behalve mijn telefoon. Lekker dan.. Nu kan ik nog Emma niet bellen. Maar wacht eens even. Ik kijk naar het nachtkastje. Natuurlijk! Daar staat gewoon een telefoon. Ik voel mezelf geniaal, ook omdat ik het telefoonnummer van Emma uit mijn hoofd ken. Ik twijfel geen seconde en bel Emma. Ik kruis mijn vingers, in de hoop dat ze opneemt op dit tijdstip. Dit is wel mijn enige kans… “Hallo?” hoor ik slaperig aan de andere kant van de lijn. Emma! Ik kan wel huilen van blijheid. ‘Emma…,’ zeg ik zachtjes. ‘Ik ben het, Sara.’

“Sara!” gilt Emma. “Sara, alles goed met je? Waar zit je? Waarom heb je niet gebeld? Je bent al sinds vrijdag weg en niemand heeft wat van je gehoord…” Ze begint zachtjes te snikken. “Ik maakte me zo’n zorgen…” Ik weet niet eens welke dag het nu is, eigenlijk.

‘Ik ben mijn telefoon kwijt Em…,’ zucht ik. ‘Het gaat totaal niet volgens plan. Ik wil hier weg, help me…’ En ook ik ben weer lekker aan het huilen.

“Oh shit… Wat nu? Krijg je eten en drinken? Is er wel een wc enzo? Straks gaat ‘ie je vermoorden!” roept ze allemaal achter elkaar.’
’t Is oké, Em.. ik heb wapens en ik vond deze vaste telefoon. Maar ik heb geen idee waar ik ben en hoe ik hier wegkom.’ Ik vertel haar maar niet over het feit dat ik alleen maar chips en water krijg en dat de situatie eigenlijk wel iets erger is. “Sara, wat er ook gebeurt hè? Je bent echt mijn beste vriendin die ook ooit heb gehad. Ik mis je vreselijk en ik ga er alles aan doen om je weer thuis te krijgen. Oké?” vervolgt ze snikkend. Dan hoor ik een dof geluid, gevolgd door een tweede. Shit, ik moet hier echt weg. ‘Emma, ik hoor iets. Of iemand. Ik moet gaan, maar ik bel je snel weer. Je bent m’n allerbeste vriendin en doe iedereen de groetjes en een sorry van me. Tot snel Emma.’ Ik maak een kusgeluidje. Emma begint alleen maar harder te huilen. “Doeg Saar,” zegt ze met afgeknepen stem. Dan hang ik op en zorg ik dat ik zo snel mogelijk in mijn kamer kom, mijn veilige haven. Binnenkort ga ik weer terug.

Ik ben nu op vakantie, maar binnenkort komt ook het volgende hoofdstuk online, zoals beloofd! Het internet hier is niet helemaal super :/

Liefs!

Just don’t forget, to wear a hat