Het leven van een gek: Sleutels

2016-25-8--15-13-40

20. Sleutels

Ik ben die chips zó zat! Maar mijn maag knort vreselijk, dus met tegenzin open ik een nieuwe zak Nibbits. Met lange tanden eet ik er een paar en spoel ik ze weg met wat water. In mijn sporttas zat een flesje water, dus nu hoef ik daarvoor niet steeds naar de keuken te rennen, met m’n lamp. Heel fijn. Chips vult niet en ondanks dat je zou zeggen dat je enorm dik wordt als je alleen maar chips eet, zag ik dat ik dunner was geworden toen ik in de spiegel in de badkamer keek. Maar dat is niet mijn grootste probleem. Ik moet die telefoon opnieuw vinden. En Emma bellen, ik heb afgelopen nacht een heel plan bedacht. Zachtjes sluip ik mijn kamer uit want ik heb simpelweg geen zin meer om nog langer te wachten. Ik zou ook niet weten waarom ik langer zou wachten, eigenlijk. De lamp gaat nog steeds altijd mee en mijn sporttas ook. Ik besluit dat ik snel moet handelen, niet te langzaam lopen. Ik ga gewoon direct naar m’n doel, de telefoon. Emma bellen, plan B bespreken.  Voor je het weet ziet hij waar ik mee bezig ben en heeft hij het plan door. Het laatste wat ik wil is hém tegenkomen. Echt, ik eet nog liever een week lang chips dan dat ik die gast tegen moet komen. En aangezien niemand mij komt redden, moet ik mezelf maar redden. En toevallig ben ik daar heel goed in. Oké, misschien niet helemaal. Maar dat komt wel! Ik kom hier heus wel weg. Toch? Inmiddels ben ik bij de bewuste kamer. Ik besluit de rest van de verdieping niet te controleren, zoveel kan er niet gebeuren. Ik moet gewoon die telefoon pakken en Emma bellen, dat is het belangrijkste. Ik loop de kamer in, met mijn ogen zoek ik de telefoon. Waar is dat ding? Gisteren stond hij er nog, maar nu is hij toch echt weg. Ik tuur de hele kamer rond maar nergens is een telefoon te bekennen. Nergens. Ik zucht en laat mezelf op het bed vallen. Heel leuk dit. Hoe kom ik hier nu ooit weg? Dit is gemeen. Gemeen. Gemeen. Gemeen. Dan valt mijn oog op zo’n zelfde kaart als die met de champagne. Gestoken tussen de rand van het bed en de zijkant van de matras, waar ik op zit. Een ongerust onderbuikgevoel komt opzetten. Dit was duidelijk voor mij bedoeld. Langzaam strekt mijn hand zich uit naar de kaart. Wanneer ik hem te pakken heb, vouw ik de kaart open. Deze keer stond er “Hallo!” op de voorkant en wederom, was het handschrift in de binnenkant nogal slordig, net leesbaar.

Lieve Sara,

Kennelijk voel je je al helemaal thuis. Inmiddels heb je vrijwel alle kamers wel bekeken, mooi zijn ze hè? Ik keek naar je toen je uit het kamertje kwam. Toen je belde. Mis je iedereen zo? Ze missen jou ook. Sinds vrijdag ben je weg, nu is het dinsdag! Tijd gaat snel, wanneer je het leuk hebt. Wat ben je mooi. Maak het jezelf gemakkelijk. Zo snel kom je hier niet weg. Als jij het mij ongemakkelijk maakt, moet ik maatregelen nemen die ik liever niet neem, weet je. Zoals dat ik die telefoon weg moest halen. Ik hou je op de hoogte. Ze zoeken je. Ik ben de enige die weet waar je bent, niemand die je hoort, niemand die je helpt. Geniet van je rust!

Ik zie je altijd.

De inhoud leek voor een groot deel op dat van de vorige, maar het maakt mij nog net zo bang als de vorige keer. Hij ziet me dus écht altijd. Hoe dan? Hoe? Ik wil hier weg. Ik besluit alsnog alle kamers te controleren. Dat ik hém dan misschien tegenkom, kan me niks meer schelen. Dan kan ik hem mooi de waarheid vertellen! Kwaad loop ik naar de volgende deur, terwijl ik de brief in tientallen stukjes aan het scheuren ben. Hij moet me gewoon laten gaan! De hele situatie maakt mij ineens superkwaad. Ik smijt de deur open, kijk in het rond. De fotokamer, de kamer met alle informatie over mij. Mijn ogen glijden over alle selfies, notitieblaadjes en andere dingen terwijl mijn blik steeds troebeler wordt door de tranen die in mijn ogen prikken. Dan zie ik een sleutelbos liggen. Dat kan ik wel gebruiken! Ik pak hem zonder na te denken van het bureau. Vervolgens valt mijn oog op een klein halfrond balletje, die op het dak zit geplakt, direct naast de deur. Net een oog. Een camera! Hij houdt gewoon alles in de gaten met die klotecamera’s! Zonder mijn acties te overwegen, sla ik met de achterkant van de lamp, keihard op de camera. Nog een keer, nog een keer. Totdat ‘ie springt en er een regen van kleine glasstukjes naar beneden valt. Zo. Die is kapot, nummer 1. Ik kijk of er nog meer camera’s hier zitten, maar ik zie niks. Snel prop ik de sleutelbos in mijn sporttas. Nog een keer kijk ik de kamer rond. Ik begin alles van de muren af te trekken, van het bureau af te slaan, te verkreukelen, versnipperen en ik ga erop stampen. Eén foto, een selfie van mij en m’n vrienden, die bewaar ik. Ook die gaat in mijn sporttas. Ontsnappen. Ik kan ontsnappen! Ik loop vlug en zachtjes naar beneden, waar ik mijn waterfles opnieuw vul en een zak chips wil pakken, omdat ik niet weet hoelang het duurt voordat ik thuis ben. Maar wanneer ik de kast open, is alle chips weg. Is dit zijn wraak? Ik open alle andere deurtjes, misschien vergis ik me gewoon. Brood! Er is nu een kast vol met brood! Wit en volkorenbrood. Waarom? Ik besluit dat ik niet veel tijd heb om er over na te denken, dus ik prop een compleet witbrood in mijn sporttas, samen met mijn waterfles. Dan zie ik ook hier een camera hangen.  Meteen ram ik erop los met mijn lamp, tot ook deze camera het begeeft. Nu is het écht tijd om te gaan hier. Maar waar is een deur? Waar kan ik eruit? Ineens herinner ik het me. De deur met het slot en de knop. Dat is geen schoonmaakkast. Geen ontvoerdershol. Dat daar, is mijn uitgang. Als een bezetene ren ik er naartoe, om alle sleutels uit te proberen. Bij de derde is het raak, ik draai hem om en de deur gaat open. Fel zonlicht schijnt me tegemoet. Ik ben vrij! Ondanks dat ik amper wat zie, begin ik te rennen. Te rennen, rennen, rennen. Ik moet weg hier. Het is inderdaad een vakantiehuisje, midden in een bos, met een groot recht pad dat van het huisje wegloopt. Had Twan niet ook zo’n vakantiehuisje? Ik besluit mijn tempo iets te verlagen, mijn conditie is behoorlijk achteruitgegaan en zoveel voedingsstoffen heb ik ook niet. Ik verstijf, wanneer een hand mijn schouder stevig vastpakt en me omdraait. Een man kijkt me woest aan. Hij hijgt zwaar. ‘Moet dit nu echt zo, Sara?’ Die stem komt me eng bekend voor, net als het gezicht, maar voordat ik kan verzinnen waarvan, wordt er opnieuw iets tegen mijn gezicht gedrukt. Ik probeer mezelf los te maken van zijn greep, te schoppen, slaan, duwen. Maar hij houdt mij alleen maar steviger vast en ik voel, dat ik weer wegval. ‘Eikel,’ sis ik nog. Dan wordt alles weer zwart voor mijn ogen.

Advertenties